Het zwaard van Bergeijk, afkomstig uit de late bronstijd, straalt macht en vakmanschap uit. Het lemmet draagt kapsporen; de punt is afgebroken; het patina wijst op langdurig contact met water. Was het ooit een gevechtswapen, een ritueeloffer of beide? En waarom eindigde het uiteindelijk op de grens van Nederland en België? Publicist Edwin van Onna deed een zoektocht naar de oorsprong en vindplaats met hulp van archeoloog Liesbeth Theunissen.
Vechtsporen
Het zwaard valt te dateren in de late bronstijd en is ergens tussen 900-800 voor Chr. vervaardigd. Dat gebeurde vermoedelijk in een gespecialiseerde werkplaats in Centraal-Europa. Het zwaard zal oorspronkelijk ongeveer 60 cm lang zijn geweest, maar is korter door de afgebroken punt. Dit kan zijn ontstaan tijdens een gevecht, maar kan ook te maken hebben met een mindere kwaliteit van gieten. Kenmerkend is de massief gegoten greep van het Möringer type.
De slag-/kapsporen in het lemmet duiden erop dat dit een vechtzwaard is geweest. Het is aangescherpt en echt door krijgers tijdens de strijd gebruikt, zoals recent onderzoek voor de overzichtstentoonstelling ‘Bronstijd – Vuur van verandering’ bij het RMO in Leiden aantoont.[i] Het is een periode waarin de wapentechnologie een vlucht nam en een nieuw krijgersideaal ontstaat. Zwaarden waren statussymbool en alleen in bezit van belangrijke personen.

Schenking Gildemeester
De exacte geschiedenis van het zwaard uit Bergeijk is met raadselen omhuld. Het object wordt al vele jaren geëxposeerd in Cultuurhuis Bergeijk dat het - in de toenmalige hoedanigheid van het archeologiemuseum Eicha - in langdurige bruikleen kreeg van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden. Daar staat het geregistreerd onder inventarisnummer: k 1931/2.4. Bij de deskundigen van het RMO is over de oorspronkelijke herkomst en de verdere achtergrond niets bekend, behalve dat de schenker dhr. Gildemeester is geweest en dat als vindplaats Bergeijk staat vermeld. De schenking is terug te vinden in het register op de inventaris van februari 1931 onder Legaat Gildemeester.[ii] Het gaat hier om Paulus Adriaan Gildemeester (1858-1930), een Nederlandse schilder en tekenaar, geboren in Amsterdam en later woonachtig in Egmond aan den Hoef.

Het zwaard van Lommel
Onderzoek in het online-papierarchief van het RMO naar de oorspronkelijke herkomst van het zwaard in relatie tot Bergeijk levert niets op. Bij een zoekactie op het onderwerp ‘zwaard’ springt echter één specifieke correspondentie in het oog: die tussen dhr. E. van Doorn uit Veghel - zoon van hoefsmid Hendricus Marte van Doorn - en toenmalige directeur Willem Pleyte van het RMO. Deze Engelbertus van Doorn was behalve smid ook antiquair. Op 3 juli 1900 stuurt hij een brief aan het RMO dat hij thuis een koperen zwaard als curiositeit bewaart. Het voorwerp was twee jaar eerder door zijn neef, landbouwer van beroep, tijdens grondwerkzaamheden gevonden in Lommel (BE), nabij Bergeijk. Op advies van een ‘zeergeleerde heer’ benadert hij directeur Pleyte met de vraag om zijn waardeoordeel over het zwaard te geven.[iii]
Er volgt een uitgebreide briefwisseling tussen beide heren. In één van de brieven wordt gesproken van een koperen in plaats van een bronzen zwaard. Dat is voorstelbaar, aangezien brons een legering van koper en tin is. Daarnaast lijken de kenmerken – een afmeting van 55 cm en een opvallend afgebroken punt - overeen te stemmen met die van het Bergeijkse zwaard. De toelichting dat het zwaard is ‘ingevreten’ komt overeen met de zichtbaar gecorrodeerde bronzen huid, met name richting het uiteinde van het zwaard. Van Doorn stuurt het zwaard op, maar Pleyte wil er slechts 25 gulden voor geven in plaats de gevraagde 50 gulden, waarna de briefwisseling stopt.

De hypothese dient zich aan dat directeur Willem Pleyte van het RMO het zwaard uit Lommel heeft teruggestuurd aan Engelbertus van Doorn. Deze heeft het thuis bewaard als een curiositeit. Na zijn dood en verkoop van het huis is het door zijn zus Johanna Maria van Doorn aan verzamelaar Gildemeester verkocht. Kort hierop is het onderdeel geworden van de schenking van Gildemeester die zijn collectie naliet aan het RMO. Via deze route is het zwaard dertig jaar later alsnog in de collectie van het RMO terechtgekomen.
Kan het zwaard uit Lommel, dat in de correspondentie tussen Van Doorn en Pleyte wordt opgevoerd, nog concreter met het zwaard uit de collectie van het RMO in verband worden gebracht? Of, om de vraag verder toe te spitsen, zijn beide zwaarden dezelfde objecten? Gezien de maatvoering en afgebroken punt zijn er in ieder geval markante fysieke overeenkomsten aan te duiden.
Herkomstlocaties
Als vindplaats kan nog steeds gedacht worden aan een locatie op de grens van Bergeijk en Lommel. Sites als Konijnepijp in Lutlommel (BE) en veengebied de Pastoorsweijer lijken volgens Liesbeth Theunissen niet aannemelijk omdat er geen stromend water aanwezig was. Meer voor de hand ligt een beek/stroompje met wisselende waterstanden in plaats van een venige locatie. Geïmporteerd wapentuig zoals zwaarden werden vaak verder van huis in rivieren en beken gedeponeerd. De verwijzing ‘nabij Bergeijk’ doet de archeologen Miel Schurmans en Ferdi Geerts van Erfgoed Lommel (BE) vermoeden dat het gaat om het noordoostelijke deel van Lommel (= Lommel-Kolonie): Een klein deel van Lommel grenst immers aan Bergeijk, met Luyksgestel is er een langere grens. Hier ligt de Oude Maaij, in het verlengde van de Maaij en de Pastoorsweijer. Op kaarten uit 1900 is te zien dat er niet veel bosgrond is in de omgeving van de natte laagtes. De enige natuurlijke waterloop in het grensgebied is de Elsenloop ten westen van de Oude Maaij.[iv]
Offerplek of strijdtoneel?
Stel dat de Elsenloop de vindplaats is, dan blijft het de vraag: werd het zwaard ritueel gedeponeerd als kostbaar geschenk voor goden of voorouders, of zou het zwaard hier zijn achter gebleven na een heftige strijd? Het idee dat in dit huidige grensgebied een krijgsgevecht heeft plaatsgevonden zal velen tot de verbeelding spreken. Zonder nieuwe aanwijzingen, gaat de fantasie er al snel mee aan de haal....
[i] Rijksmuseum van Oudheden (RMO), inv.nr. 1.1/20, 1928-1931, p. 361. Er worden 6 voorwerpen uit Noord-Brabant opgesomd met als 4e een ‘Bronzen zwaard met bronzen gegoten gevest. Afkomst Bergeijk’. Als opgemeten lengte wordt 54 ¾ cm vermeld. De registratie wordt onderaan de pagina bevestigd door een handtekening van Holwerda.
[ii] RMO, nummer toegang 3.12.21, Inventarisnummer 107, Ingekomen Stukken 1900, Inv.nr. 17.01.02/46, Brievenboek 109, volgnummer 145.
[iii] Volgens beschrijving door bronstijddeskundige Jay Butler op de fiche; Valerio Gentile, ‘Geweld in de bronstijd onderzocht – Experimenteren met wapens’ in tent.cat. RMO Leiden, Bronstijd – Vuur van verandering, 2024, p. 157.
[iv] Uit dit natuurlijke stroompje ontstaat - na aansluiting in Nederland van de Fortjewaterloop en de Bosscheweijerloop - de Keersop. Deze beek stroomt langs Bergeijk, Westerhoven en Dommelen om uit te monden in de Dommel.





















